schwob_logo

marcel
actie
Angela Rohr - Kamp

ISBN 9789029506687 | 2016 | De Arbeiderspers | € 24,99 | Paperback, 384 blz. | Oorspronkelijk: Lager, 1964 | Vertaald door Izaak Hilhorst, nawoord van Gesine Bey

Angela Rohr

Kamp (De Arbeiderspers)

Boek

Dit is de herontdekking van de maand november


Als een vrouw in 1942 naar een kamp van de goelag gebracht wordt, komt ze terecht in een wereld die losstaat van alle normaliteit. Van nu af aan is rechteloosheid de enige wet. Ze gaat als arts in de lazaretten werken, bijna zonder medicijnen of bruikbare instrumenten. Ze is evenzeer aan kou en honger uitgeleverd als aan de genadeloze kamphiërarchie. Als ze haar volledig ongerechtvaardigde straf heeft uitgezeten wacht haar de ‘eeuwige verbanning’, een andere vorm van onvrijheid, niet minder ontmoedigend en gevaarlijk.

Door middel van koele, scherpe observaties schetst Angela Rohr een genadeloos portret van het goelagsysteem, waarin sommigen ondanks alles hun menselijkheid weten te behouden.

Biografie

Angela Rohr (1890-1985, Znaim/ Mähren-Moskou) maakte deel uit van de dada-beweging in Zürich. Daar ontmoette ze Lenin en raakte ze bevriend met Rainer Maria Rilke. In 1925 vestigde ze zich met haar echtgenoot in Moskou. Tot Rohr in 1941 werd gearresteerd en tot vijf jaar goelag werd veroordeeld, gevolgd door een verbanning. Ze werd in 1957 gerehabiliteerd en keerde terug naar Moskou.

Haar autobiografische roman Kamp toont een genadeloos portret van het goelagsysteem, waarin sommigen ondanks alles hun menselijkheid wisten te behouden. Postuum verscheen ook Der Vogel, een opzienbarende verzameling van verhalen en reportages.

Vertaler

Izaak Hilhorst is literair vertaler vanuit het Duits. Hij vertaalde ook De slag om Berlijn (2016) en Het testboek (2014).

Fragment

We hoefden niet ver te lopen en kwamen al gauw in onbe­bouwd gebied. Het kamp waar we vandaan kwamen, lag aan de rand van de stad. Het lopen ging zwaar en was op de met ijs bedekte weg extra moeilijk doordat de wind zijn uiterste best deed om te verhinderen dat we vooruitkwamen. De soldaat die vooropliep, keek slechts af en toe om omdat hij wist dat we niet konden ontsnappen.

Na een goed uur kwamen we bij een spoor, waar we halthiel­den. Op een dijk, iets hoger dan het akkerland, lagen smalle planken, houten rails voor de wielen van de vrachtwagens.

Hoe ze zo’n weg hier noemen, is in geen enkel woorden­boek te vinden. Hij wordt gewoon ‘spoor’ genoemd. Later kwam ik ze trouwens overal tegen, diep in de Siberische taiga, in de moerassige gebieden van de kampen.

Eindelijk kwam er een vrachtwagen om ons mee te nemen. Hij kwam eraan hobbelen, klapperend over het spoor, dat vermoedelijk niet vast genoeg lag. Hij was zwaarbeladen en zo vol dat ik er met geen mogelijkheid een plaatsje op kon vinden. Het was natuurlijk helemaal fout om zo te denken en dat heb ik mezelf dan ook snel afgeleerd. Ik moest leren dat in het kamp niets onmogelijk is, zelfs het meest onwaarschijnlij­ke niet.

We werden getrokken en geduwd tot we ten slotte op een berg zakken zaten, waar we niet veel steun aan hadden, om­dat we de volgepropte zakken met onze verstijfde vingers niet konden vasthouden. We dreigden er voortdurend af te vallen. De wagen sprong op en neer, overal zaten gaten in het spoor van planken, waar hij zo goed en zo kwaad als het ging over­heen bonkte. Dat duurde overigens niet lang, een paar uur misschien, maar lang genoeg om de tenen van mijn ene voet te laten bevriezen.

Eerst reden we over het open veld, daarna door een hoog bos, door de taiga dus, die me geheimzinnig, om niet te zeg­gen terughoudend voorkwam, eigenlijk laat ze zich nooit goed zien en het wordt er nooit echt dag.

Onze vrachtwagen stopte ten slotte voor de poort van een kamp. Hij moest natuurlijk eerst zijn levende last lossen, maar dat ging niet zomaar. Het bevel om naar beneden te komen konden we met de beste wil van de wereld niet uitvoeren, onze armen en benen weigerden dienst, we waren volkomen verstijfd. Eigenlijk zouden de anderen ons makkelijk hebben kunnen helpen, maar dat vonden ze vermoedelijk beneden hun waardigheid. Ze probeerden alleen ons met de kolf van hun geweer te raken, maar sloegen in de lucht omdat we te hoog zaten. Ten slotte hielp de chauffeur ons zelf naar be­neden en stonden we, nog steeds lichtelijk verdoofd door de kou, op de grond. Tegen onze verwachting in werden we niet in het kamp opgenomen, maar in een enigszins afgelegen, laag houten gebouwtje dat een lazaret bleek te zijn.

We werden ontvangen door een slechtgehumeurde be­jaarde vrouw, een arts, een gevangene, die informeerde of we honger hadden zoals mensen in de buitenwereld over het weer spreken, onverschillig, zonder enige belangstelling, en ze vond het nodig erbij te vertellen dat ze geen brood voor ons had.

Iedereen kreeg een bordje gortebrij, dat we in een mum van tijd ophadden. Op meer hoefden we natuurlijk niet te re­kenen, maar we wisten vrijwel zeker dat ze ons warm water te drinken zouden geven. Omdat er een hele tijd niets kwam, waagden we het erom te vragen, maar we hadden het woord ‘water’ nog niet uitgesproken of we kregen een stortvloed aan scheldwoorden over ons heen. De arts stond zwaaiend met haar armen en met een vertrokken gezicht voor ons en krijste zo hard ze kon dat ze zoiets nog nooit van gevangenen had gehoord. Ze vond het een ongehoorde brutaliteit dat we om warm water vroegen, terwijl ze ons uit zichzelf al brij had ge­geven terwijl we nog niet eens op de etenslijst stonden.

Water kregen we niet, maar wel een plekje om te slapen. We kwamen terecht in een klein kamertje waar een grote ketel was ingemetseld, met onfortuinlijke kakkerlakken, die eindeloos probeerden de rand te bereiken. Ze hadden zelf moeten begrijpen hoe zinloos dat was, want ze vielen steeds terug op een laag dode soortgenoten die al eerder aan hun pogingen waren bezweken.

We kregen een matje, kort en dun, dat alleen groot genoeg was als we ons helemaal oprolden, wat we vanwege de kou toch al deden. Maar de kamer had ook iets positiefs, het was er niet helemaal donker want ze waren vergeten ons lamp­je, een met petroleum gevuld medicijnflesje, af te pakken. De laatste tijd hadden we de nachten in volstrekte duister­nis doorgebracht en je kunt je haast niet voorstellen wat zo’n klein lampje voor een mens kan betekenen. We hadden het op de rand van de ketel gezet en bleven er de hele tijd naar kijken. Het brandde niet rustig maar flakkerde, het leek wel of het tegen de verdrukking in bleef leven, een verdrukking die we niet kenden en die we ons niet konden voorstellen. Als het vlammetje knisperde en bijna uitging, schrokken we alsof er gevaar dreigde, maar dat had minder met het lampje dan met ons te maken. De geur die het lampje verspreidde, kenden we niet maar riep toch herinneringen op, geen beelden, maar onbekende gevoelens die niet in onze huidige wereld pasten. Het vlammetje roette en pas toen we elkaar ’s morgens aanke­ken en onze vieze gezichten zagen, begrepen we dat we, tegen de regels en voorschriften, een heleboel kostbare olie hadden verbruikt, wat ons straf kon opleveren.

Door de pijn in mijn voet deed ik die nacht nauwelijks een oog dicht. Overigens zou alleen al het idee onder zo’n vrouw te moeten werken iemand volledig van zijn rust beroven. Ik wist niet wat ik moest doen, haar bestaan was voor mij als een vreemde ziekte waarvan ik de diagnose nog niet kende.

De volgende ochtend kwamen we meer aan de weet. Een van de verplegers, een oude man, een gevangene, vertelde ons in het grootste geheim dat dit ziekenhuis alleen bedoeld was voor mensen die aan diarree leden en niet meer konden lopen, de hopeloze gevallen dus. Prikkeldraad of een andere vorm van bewaking was voor hen al niet meer nodig. De pati­ënten in het kamp zelf waren niet minder ziek dan de mensen hier, maar ze werden wel streng bewaakt, wat, zoals hij naden­kend zei, misschien te maken had met het wetsartikel waar ze onder vielen.

Ik kreeg brood en warm water, waarna ik met een verhoor werd vereerd. Het ging over mijn medische kennis. Ik moest toegeven dat ik bloedspecialist was, hematoloog, wat mijn examinatoren choqueerde en met oprechte weerzin vervulde. Ze herhaalden nog paar keer dat zo’n beperkte specialisatie voor hen totaal oninteressant was, dat ze daar niets aan had­den. Ze waren het zo enorm met elkaar eens dat ze me het liefst meteen naar die verschrikkelijke barakken in Tagil terug hadden gestuurd.

Klik hier voor het vervolg van deze voorvertoning.

Leesclubs

Kamp is de herontdekking van de maand november!

De Schwob-actie 2017 is zondag 15 januari geopend met tientallen leesclubs rondom de tien herontdekkingen voor dit nieuwe jaar. Angela Rohrs Kamp werd besproken bij leesclubs in Amsterdam (bij Boekhandel Athenaeum Roeterseiland, onder leiding van schrijver en vertaler Guido Snel), Schiedam (bij boekhandel Post Scriptum Hof van Spaland, onder leiding van Arij Maarleveld) en Haren (in samenwerking met SLAG bij boekhandel Boomker Boeken). Een terugblik op deze prachtige dag vindt u hier!

In iedere maand van 2017 staat één van de Schwob-titels centraal. En in november is dat Kamp van Angela Rohr. Gedurende de hele maand zullen rondom deze titel verschillende Schwob-activiteiten worden georganiseerd in de deelnemende boekhandels. Dit kunnen bijvoorbeeld leesclubs of originele boekpresentaties zijn.

Op deze pagina zullen we regelmatig de agenda met data van verwachte activiteiten plaatsen. Houd hiervoor ook onze Facebook-pagina in de gaten.

Wilt u ook een activiteit organiseren? Dat kan, laat uw literaire creativiteit de vrije loop!

Informatie over het organiseren van een leesclub vindt u hier. Voor meer informatie en vragen kunt u contact met ons opnemen via write@schwob.nl. Via dit e-mailadres kunt u zich ook inschrijven voor een maandelijkse mail met daarin telkens een overzicht van alle Schwob-activiteiten van 2017.

De ambassadeurs van Kamp zijn:

-     Guido Snel, vertaler en liefhebber van Oost-Europese literatuur

-     Izaak Hilhorst, vertaler

 

Reacties

‘De naam van Angela Rohr hoort thuis in dat firmament van verschrikking en schoonheid waarin ook de sterren van Franz Kafka en Primo Levi, Jorge Semprun en Warlam Schalamov schijnen.’

- Der Spiegel

'Angela Rohr was veel: arts, schrijver, Bohemienne, psychoanalyticus en journalist. Ze was meerdere malen getrouwd en hield ervan om legendes over zichzelf in omloop te brengen. In haar autobiografische roman Kamp leer je Angela Rohr vanuit een heel andere invalshoek kennen: als een sobere kroniekschrijver van een bijna ondraaglijk alledaags kampleven, waarin men zwijgt over de eigen wanhoop en het lot van de anderen centraal stelt.'

- Judith Leister - Frankfurt Allgemeine Zeitung

 

´Angela Rohr schrijft over zestien jaar (!) ontberingen in de bittere siberische kou. Wil je weten wat dit betekent, dan is dit boek een must!´

- Leesclubdeelnemer Rohr in Amsterdam

'Rohrs boek is één lange opsomming van alles wat er in het kamp gebeurt, een opeenstapeling die door de enormiteit van de gegevens een overtuigend beeld van het kampleven schetst. Die precieze maar afstandelijke benadering maakt het relaas nog enigszins verteerbaar, want de existentiële uitzichtloosheid is nauwelijks te bevatten. "Ik woon nu al zo lang hier in het noorden dat mijn ogen zijn bevroren. Ik kan de schaamte niet meer zien", noteert Rohr.'

- Sophie Messeman - Trouw