schwob_logo

marcel
actie
Josepha Mendels - Je wist het toch

ISBN 9789059366558| 2016 | Cossee| € 18,95 | Paperback, 224 blz. | Oorspronkelijke uitgave: 1948

Josepha Mendels

Je wist het toch (Cossee)

Boek

Onderduiken is in 1943 levensgevaarlijk. Frans Winter en Henriëtte Bas moeten vluchten. Ze leren elkaar kennen in Londen. Afgesneden van hun vaderland storten ze zich vol overgave in dit nieuwe leven. Maar ze weten vanaf het begin al dat hun liefde eindig moet zijn, omdat Frans na de oorlog terug zal keren naar zijn gezin in Holland. Is er wel een nieuw leven mogelijk, wanneer je voortdurend weet dat je geliefden thuis leven in oorlog?

Biografie

Josepha Mendels (Groningen, 1902 – Eindhoven, 1995) groeide op in een orthodox-joods gezin. Ze werd gouvernante en begon te schrijven als journalist. In Je wist het toch, haar enige roman die zich tegen het decor van de Tweede Wereldoorlog afspeelt, schrijft Mendels over een leven in ballingschap, waarvoor ze uit eigen ervaringen kon putten.

Fragment

Vanavond zal de dichter de bergen weerzien.
De lange jongen, met wie hij ’s middags afgesproken
heeft, komt hem halen en geeft hem een paar espadrilles.
De dichter neemt afscheid van de herbergier en zijn
jonge dochter. Hij drukt de man de hand en het meisje
begeleidt hem naar buiten, wenst hem goede reis en
zoent hem op zijn mond. Hij zegt: ‘Niet meer dan vier
uur ben ik jullie gast geweest, ik heb alleen gezeten aan
een kleine tafel achter de kachel en gegeten wat jij mij
hebt opgediend. Toen je de koffie bracht en ik je vroeg
hoeveel ik je schuldig was, antwoordde je: Niets, u kunt
uw geld veel beter gebruiken, en: Kan ik u misschien
ook helpen want ik weet dat u naar ginds toe wilt, en je
wees naar de overkant van de bergen, waar het land ligt
dat, met wat geluk, naar vrijheid leidt. Je hebt me geholpen
en misschien zien we elkaar terug.’

Hij denkt: Kon ik maar hier met jou blijven en werken
en met en door jou de bergen leren liefhebben.
Want de dichter heeft nooit veel van de bergen gehouden.
Hij noemde het landschap pretentieus en arrogant,
denkende aan de mildheid der duinen.
De lange jongen zegt: ‘We moeten flink doorlopen.’
Dat is alles. Eerst steken de witte espadrilles nog af,
maar dan worden ze bruin als de smeltende sneeuw en
dan met die sneeuw mee zwart als de nacht. De jongen
heeft een zaklantaarn en als hij bemerkt dat de dichter
zich moeilijk door een kreupelbos beweegt, licht hij
hem bij, soms reikt hij hem de hand, altijd zwijgend.
Zo gaan er bijna twee uur heen, en juist als de dichter
wil vragen of hij even mag rusten, zegt de jongen:
‘Wacht u hier,’ en wijst hem een steen om te zitten, en
er is een ster die tussen de wolken fonkelt waar de dichter
maar steeds naar moet kijken. Zijn vingers tasten
over zijn armen en benen, alsof hij wil voelen of hij nog
bestaat, dat hij het zelf is, Frans Winter, alleen en verlaten.
Hij zint en zint maar herinnert zich niet waar hij gisteren
was, eergisteren of de dag voor eergisteren. Hem
bereikt alleen nog zijn huis in Eindhoven, en van dat
huis vooral het slot op de buitendeur en het sleutelgat
dat rondom verveloos was. Zo heb ik de deur gesloten,
zegt hij hardop, twee keer naar rechts, en hij herhaalt
die beweging met zijn hand, twee keer naar rechts, en
toen heb ik de sleutel aan Marjolijn gegeven, die met
Annette en Kareltje in de straat stond te wachten. Daarna
heb ik ze weggebracht naar vrienden, de kloek met
haar kuikens.

Daarna...
Dat ligt nu alles al zo lang achter mij, ik weet niet
eens meer precies hoe onze eetkamer was ingericht.
En welk schilderij hing er toch links van het raam? Dat
landschap met die ene koe of die zonsondergang op
Texel? Annette, heeft ze grijze of groene ogen en sliep
Kareltje de laatste tijd eigenlijk nog in zijn wieg of al in
een kinderbedje? Het huwelijk van Marjolijn en mij is
door de jaren heen gegroeid tot een goede gewoonte,
het was wat je noemt een leven in gemeenschap, waarnaast
ik nog mijn eigen leven maakte: het samenkomen
met vrienden en soms een voorbijgaande verliefdheid.
Nu ben ik opeens een vrij mens, niets dan een dichter
die de bezetting ontvlucht en de oorlog tegemoet reist.
Ik wil iedereen en alles in een schuilhoek van mijn hart
duwen, Moeder, Marjolijn, en de kinderen, en de rest
van dat hart zal ik wijd openzetten. Misschien dat Kareltje
weleens door het schuilhoekje terug weet te glippen,
maar daar heeft hij recht op, want wat ken ik van
hem behalve zijn pruillip en zijn witte haar dat iedere
dag witter werd? Een keer heb ik hem in mijn armen
gehouden – vier maanden was hij toen – alsof ik hem
vergiffenis wilde vragen voor het tekort aan vaderliefde,
dat ik hem in zijn kleine oorlogsbestaan had betoond.
Later zal ik dit inhalen. Later, later, zal ik dan Marjolijn
nog liefhebben? Maar waarom niet, heel ons samenzijn
heb ik van haar gehouden, een andere vrouw is tot nu
toe niet in staat geweest dit van mij af te nemen. Integendeel.
Wanneer, en hoe zal ik ze allen weerzien?
Vrij, vrij, ik ben vrij. Een nieuw leven ligt voor me...
Zo zit hij daar maar steeds op die steen en vergeet
dat hij wacht, hij kijkt in het duister en zijn lippen bewegen,
en wanneer hij ‘vrij’ zegt, ik ben vrij, dan lacht
zijn mond. Hij voelt opeens weer die zoen die het meisje
hem vanavond heeft gegeven en dit brengt hem tot
de werkelijkheid terug. Hij wordt nu onrustig en roept:
‘Hallo, vergeet je me?’ Dan staat hij op en loopt tegen iemand
aan. Het is de lange jongen. ‘Geef mij een hand,’
zegt hij, ‘ik zal u naar ons hol brengen.’ Bij het licht van
een petroleumlamp staat daar een tweede gids: ‘Heb
maar geen angst, Monsieur, ik heb gisternacht nog drie
generaals over de grens geholpen. Ze zitten nu al in
Barcelona achter een fles wijn.’ De dichter bukt zich,
gaat naar binnen en zoekt in zijn portefeuille om de lange
jongen te kunnen betalen. Die zegt, terwijl hij de biljetten
weigert: ‘Je had me meer beloofd, ik zou immers
een extraatje krijgen, omdat je je schrijfmachine hebt
verkocht.’
‘Ja, ik heb hem verkocht,’ antwoordt hij. Zijn schrijfmachine,
zijn instrument. Oudere vrienden hebben
nooit begrepen dat hij zijn gedichten direct tikte, maar
hij heeft altijd beweerd dat niets gemakkelijker is en dat
iedereen dichter kan worden, als je alleen maar de goede
toetsen aanslaat. Nu staat diezelfde machine in het
bureau van een kruidenier...