schwob_logo

schwob

 
Terug naar boek

Fragment

Het verborgen stadspaleis

Elisabeth de Waal

Het was in het midden van de jaren vijftig, korte tijd voor het sluiten van het zogenoemde Staatsverdrag, dat tot het terugtrekken van de geallieerde bezettingsmacht leidde en uiteindelijk Oostenrijks onafhankelijkheid herstelde, dat er een klein berichtje verscheen in de plaatselijke nieuwsrubrieken van de kranten. Het betrof een noodlottig ongeval dat had plaatsgevonden in het landhuis van een Amerikaanse miljonair. Een jong Amerikaans meisje uit de betere kringen dat op bezoek was bij haar Oostenrijkse familie, was overleden aan de verwondingen van een schot, tijdens het onvakkundig hanteren van een geweer. Het geweer was afgegaan en had haar gedood.

Er was slechts één enkele ooggetuige van deze onfortuinlijke gebeurtenis, de jezuïet pater Ignatius Jahoda, die had verklaard dat niemand anders betrokken was geweest bij het schot, dat volkomen per ongeluk was afgevuurd. Aangezien het was gebeurd in de Amerikaanse bezettingszone, in een huis dat aan een Amerikaans staatsburger toebehoorde, het slachtoffer ook een Amerikaanse was en er geen Oostenrijker bij betrokken was geweest, hadden alle betrokken autoriteiten het verstandig geacht om de gebeurtenis, misschien niet geheel en al volgens de regels, te behandelen als ware het een extraterritoriale aangelegenheid – om de Oostenrijks-Amerikaanse verhoudingen in deze laatste fase van de bezetting, waar spoedig een einde aan zou komen, niet onder druk te zetten. Daarom werd het incident officieel als afgedaan beschouwd.

Dat weerhield de boulevardbladen er niet van hun jonge ver slaggevers naar het bewuste gebied te sturen, het Waldviertel in Neder-Oostenrijk, om zoveel mogelijk te achterhalen over de omstandigheden rond het ongeluk. Want alleen al de vermelding van een miljonair en een ‘meisje uit de betere kringen’ gaf het ongeval een sappige bijsmaak waar het overgrote deel van de lezers, die meer geïnteresseerd waren in de ‘menselijke kant’ van zo’n verhaal dan in de officiële details die vermeld waren, wel van moesten smullen. Miljonairs hebben glamour, zijn altijd interessant als onderwerp, alsof alleen al het lezen over hen een sprankje van hun goud over het grauwe middelmatige bestaan van de lezers werpt, en al helemaal als er een snufje boosaardige voldoening aan wordt toegevoegd wanneer hun iets onaangenaams of scandaleus overkomt. En ‘meisje uit betere kringen’ heeft een soortgelijke bijklank. Typistes en jonge winkelmeisjes nemen gretig de glanzende uitstraling van dure kleding, lange gemanicuurde nagels en het volledig vrij zijn van dagelijkse sleur, overvolle tramwagens en goedkope maaltijden tot zich, maar het doodgaan aan verwondingen veroorzaakt door een geweerschot zal waarschijnlijk evenmin op hun weg komen.

Wat de jonge verslaggevers wisten uit te vissen was de naam van de eigenaar van het huis, een zekere meneer Kanakis, en die van het meisje dat het slachtoffer was van het ongeval, een zekere juffrouw Larsen; ook dat er op dat moment verscheidene jongemannen in het huis verbleven, en dat nog een andere jongeman, geen gast, in de vroege ochtend in het park gezien was, hoewel ze er niet in waren geslaagd die te achterhalen; hij had waarschijnlijk niets te maken gehad met de affaire. Maar ze kwamen er wel achter dat het meisje vermoedelijk verloofd was met meneer Kanakis. De namen, allebei uitheems, zeiden het Weense publiek niet veel, met uitzondering van een oudere taxichauffeur wiens wagen regelmatig bij de Opera stond. Nadat hij een tijdje op deze informatie had zitten kauwen, wendde hij zich tot zijn jonge buurman en zei: ‘Kanakis?

Natuurlijk weet ik wie dat is. Dat moet de zoon zijn – nee, de kleinzoon – van de Kanakis bij wie mijn vader koetsier was. Ze woonden daar, in dat huis op de hoek van de Ring, tegenover Hotel Bristol. Ze hadden een enorm appartement, de hele eerste verdieping, vertelde mijn vader. Grieken waren het, heel rijk. Ze hielden hun paarden en koetsen in de binnenhof. Ik herinner me nog dat ik als kleine jongen op de bok zat bij mijn grootvader, als de paarden naar buiten moesten om in vorm te blijven, terwijl de familie de stad uit was. Dat was heel wat spannender dan dit hier.’ Hij maakte met zijn hoofd een beweging over zijn schouder, in de richting van de taxi. ‘Kanakis, zal ik niet weten wie Kanakis is.’

Zijn jonge collega was maar matig geïnteresseerd in deze herinneringen. ‘Hij schijnt zich in ieder geval behoorlijk in de nesten te hebben gewerkt,’ gaf hij als commentaar, ‘door zijn verloofde dood te schieten. Maar de Amerikanen hebben de hele affaire in de doofpot gestopt, boft hij even.’ ‘Maar hij heeft haar niet doodgeschoten. Het was een ongeluk. Zeggen ze.’

‘Hoe kun *jij *dat nou weten? Ik wed dat hij het wel gedaan heeft. Ze hield het vast met een van die andere jongemannen in het huis, en hij was jaloers. Heel heetgebakerd, die Grieken. Nou ja, wie maalt erom?’

Toen de trein de grote, hol klinkende hal van het Centraal Station Zürich uitreed, en vaart begon te maken terwijl hij in oostelijke richting langs de oever van het meer reed, wist professor Adler dat het beslissende moment voorbij was. Hij zat eraan vast, hij was op de terugweg. Zolang de trein nog in Zürich had gestaan had hij, zei hij tegen zichzelf, nog kunnen uitstappen. Daar was het perron, direct onder het raam van zijn slaapcoupé, er was zelfs een kruier, die verwachtingsvol naar de twee grote koffers keek en naar de jas en de hoed die aan de koperen haak tegenover de lange, smalle roodpluchen zitplaats hingen.

Er was slechts een minimaal gebaar nodig geweest, of alleen maar een glimlach, en de man was naar hem toe gekomen, had zijn bagage naar beneden gehaald, onderwijl tegen hem sprekend met de keelklanken en de zangerige intonatie van het Zwitsers-Duits, dat hij zovele jaren niet meer gehoord had.

Adler hield zijn ogen gericht op zijn koffers, en de drang om zijn arm uit te strekken was heel groot. Gedurende een paar intense momenten was hij zich sterk bewust van zijn vrijheid van keuze. Toen, op het moment dat de oplopende spanning bijna ondraaglijk werd, zette de trein zich schokkend in beweging. Hij ging weer zitten. Hij was alleen in zijn coupé, een tweedeklascoupé bestemd voor twee personen, maar de trein was niet vol, en hij had hem voor zich alleen gehad vanaf het moment dat hij in Parijs was ingestapt. Het was nog maar kort geleden dat de internationale treindiensten naar Midden-Europa weer waren hervat, en nog niet veel mensen reisden.

Adler zat bij het raam en keek naar buiten, naar de vlakke oever van het meer van Zürich en daarna, terwijl dat in de verte verdween, naar de weides die vol stonden met appelbomen, en de keurige boerenhuisjes met puntdaken, die met steeds grotere snelheid voorbij gleden. De koffers lagen nog in het bagagerek boven zijn hoofd. Zijn gevoel van vrijheid, om te kunnen doen wat hij wilde, en daarmee het beklemde gevoel op zijn borst, waren van hem afgevallen. In plaats daarvan voelde hij zich een robot, een stuk machinerie dat, lang geleden, was geprogrammeerd om zich op een bepaalde manier te gedragen, bepaalde opdrachten uit te voeren, en dat nu deed, mechanisch, volgens plan. Tegelijkertijd was zijn geest heel helder en in staat om er logisch over na te denken, om vol te houden dat hij de hele tijd een vrij handelend wezen was geweest, en dat nog steeds was.

Natuurlijk had hij in Zürich kunnen uitstappen. Het zou heel aannemelijk geweest zijn dat hij de lange reis vanuit Amerika had ondernomen om daarheen te gaan. Hij had een eminente collega kunnen opzoeken, met wie hij gecorrespondeerd had over hun verschillende methodes om de structuur van bepaalde moleculen in een bepaalde hormooncel te bestuderen. Het had voor iedereen die ermee te maken had voor de hand gelegen dat hij een persoonlijke discussie met professor Schmidt wenste te hebben en diens laboratoriumonderzoek met eigen ogen wilde aanschouwen. Als zijn vrouw toevallig iemand had verteld dat hij op de terugweg was naar Wenen, dan zou het duidelijk zijn dat ze zijn bedoelingen verkeerd begrepen had, of ze moedwillig had verdraaid. De kennissen met wie ze het meest vertrouwd waren wisten dat hij en Melanie nauwelijks meer met elkaar spraken en dat ze zich verbeten had verzet tegen zijn vertrek. Dus als zij hem er bij haar vrienden van had beschuldigd dat hij haar in de steek had gelaten – voor idioot, onverantwoordelijk en sentimenteel had ze hem uitgemaakt – en dat hij op reis was gegaan om terug te keren naar dat ‘snertlandje dat hen eruit gegooid had’, nou, dan kon hij zeggen dat het nooit zijn bedoeling was geweest daarheen te gaan. Hij was naar Zwitserland gekomen om professor Schmidt te bezoeken.

Maar Zürich lag nu achter hem. Hij was niet uitgestapt, dus deze verklaring van zijn bewegingen viel niet te handhaven. Of toch wel? De Arlberg Express, waar hij nu in zat, zou niet stoppen voor hij Buchs bereikt had, aan de grens. Maar Buchs lag in Zwitserland, aan deze kant van de Rijn; hier was het maar een klein riviertje dat in feite de grens vormde tussen Zwitserland en Oostenrijk. Hij kon in Buchs uitstappen als hij dat wilde, en op de volgende trein terug naar Zürich wachten. Niemand zou het weten. En zelfs als ze het wel wisten – wat dan nog? Hij was diep in gedachten verzonken geweest over de scheikundige structuur van bepaalde hormonen en had het niet gemerkt toen ze in Zürich aankwamen, en ineens was hij tot zijn eigen verrassing in Buchs. Dat zou hij zeggen. Hij was een verstrooide professor, het soort dat op zoek was naar zijn bril terwijl die op zijn neus stond. Toen moest hij om zichzelf lachen.

Hij was echt belachelijk! Met wie zat hij nu te argumenteren, wie probeerde hij te overtuigen? Hij hoefde aan niemand verantwoording af te leggen over zijn doen en laten, aan niemand in de hele wereld. Zelfs niet aan Melanie. Of aan Melanie juist het minste van allemaal. Ze had hem nooit begrepen of ooit maar de minste moeite gedaan hem te begrijpen. Ze had geen benul van zijn gevoelens, en zou zich er niets van aantrekken als ze dat wel had. Sinds ze in Amerika waren had Melanie een bestaan voor zichzelf opgebouwd door zich te vestigen als corsetière, waar ze enorm veel succes mee had. Ineens had het nogal nietszeggende vrouwtje dat zijn echtgenote geweest was in zichzelf een ontzagwekkend zakeninstinct ontwaard. Ze was korsetten op maat gaan maken, speciaal in opdracht, en de vrouwen waren in drommen naar haar toe gekomen; eerst naar het piepkleine woonkamertje in hun flatje in een armoedige straat in Upper West Side, nu naar haar elegante salon aan de chiquere Madison Avenue. Aanvankelijk was hij haar heel dankbaar geweest, ze had het hun mogelijk gemaakt om in New York iets op te bouwen; want het had lang geduurd voor hij zelfs maar een bescheiden salaris verdiende en een aanstelling als assistent-patholoog had weten te bemachtigen in een ziekenhuis dat bekostigd werd door een Joodse stichting.